Roep om verandering

Maar de roep om verandering klonk steeds luider eind zeventigerjaren. Want er was sprake van een zogeheten tweedeling in de zorg; de Ziekenfonds verzekerden en Particulier verzekerden. In onze verzuilde en pluriforme maatschappij was er eerder sprake van een zevendeling. Want ambtenaren en rijksambtenaren (IZA en IZR, IZZ) maakten hun eigen ziektekostenregeling. Want stel je voor dat ambtenaren in dezelfde wachtkamer moesten zitten met fondsverzekerden. Toentertijd waren er gescheiden spreekuren bij huisartsen. Dan had je ook nog politieambtenaren en militairen etc., die hun eigen ziektekostenregelingen optuigden. Kortom: van enige overzichtelijkheid was geen sprake, zodat de roep om verandering steeds luider werd. Minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid Gerard Veldkamp (KVP) bracht in 1964 de Ziekenfondswet (Stb 392) tot stand, die het Ziekenfondsbesluit 1941 verving. Ook bracht hij in 1965 de Wet ziekenhuistarieven (Stb.190) tot stand, waarmee het Centraal Orgaan Ziekenhuistarieven in het leven werd geroepen, dat de ziekenhuistarieven moest vaststellen. Dit orgaan werd samengesteld uit vertegenwoordigers van maatschappelijke organisaties en heeft jarenlang uitstekend gefunctioneerd.

Stuk praten door beroeps- en belangengroepen

De zorg kent vele belangen- en beroepsgroepen en we weten in Nederland een noodzakelijk geachte verandering van het zorgstelsel stelselmatig kapot te praten. Eerst werd in 1987 de commissie Dekker ingezet voor een herordening van ons zorgstelsel. Daarna probeerde staatssecretaris Hans Simons (PvdA) in 1992 met zijn nota “Weloverwogen verder” een nieuw stelsel van ziektekostenverzekering er door te krijgen. Hij probeerde op een eenvoudige manier tot een stelselwijziging te komen, door de Standaard Pakket Polis (SPP) als basis te nemen voor elke Nederlander (via motie Lansink (CDA) had elke 65-plusser in de particuliere verzekering de mogelijkheid gekregen over te stappen naar de SPP polis, waarvan de schadelasten door verzekeraars onderling werden gepoold en de overheid de premie voor de SPP polis bepaalde). Dit plan sneuvelde en behaalde geen meerderheid, want er ontbrak een degelijke visie over de verantwoordelijkheden tussen zorgverzekeraars, zorgaanbieders en de overheid. Kortom: we hebben dan ook ruim de tijd genomen, want pas in 2006 werd er uiteindelijk een herordening van ons zorgstelsel geïntroduceerd, met als basis de Zorgverzekeringswet.

Rem op de kostenstijging?

Ik neem u mee naar 1994 toen Els Borst (D’66) in de Tweede Kamer voor het eerst haar plannen over de zorg ontvouwde. Ze zei, dat de hoofdvraag voor de komende jaren was hoe de groei van de kostenstijging in de gezondheidszorg – die soms niet te beteugelen lijkt –toch kon worden beheerst (overigens stegen de zorgkosten in haar tijdperk met ca. 20 miljard structureel). Deze cruciale stijging had te maken met het zogeheten “wegwerken van wachtlijsten”. Dus er werd meer productie gedraaid, want de economie raakte in die tijd bijna oververhit, dus geld genoeg. Els Borst besloot het gewoon goed te keuren en dus te betalen. Van enige budgettering, het sturingsmechanisme (Budgettair Kader Zorg) van de overheid waardoor de wachtlijsten zogenaamd zijn ontstaan, was geen sprake meer. Om de zorguitgaven te beteugelen hanteerde de overheid al jarenlang het zogeheten budgetsysteem. Maar de zorg liet gewoon wachtlijsten ontstaan, zodat bijvoorbeeld eind oktober de budgetten voor bepaalde operaties opgesoupeerd waren, waarna de specialisten zich vervolgens liepen te vervelen op de golfbaan. In januari begon er weer een nieuw jaar en via de wachtlijsten had men ruim voldoende patiënten. Maar ze hadden al wel hun jaarinkomen verdiend, dus hoe diffuus is deze mentaliteit. Kortom: de zorgverleners en zorginstituten gijzelden de overheid en doen dat nog steeds als de overheid de “productie” wenst te beteugelen. Het kabinet Paars II is uiteindelijk gevallen over de kwestie van de wachtlijsten. Dat kan anders en beter!

Mogelijke oplossingsrichting

Er is veel voor te zeggen om specialisten in loondienst met als plafond de “Balkenende norm” op basis van een normale werkweek als oplossing te zien. Dan zullen we straks wel specialisten tekort komen, maar dan moet de numerus fixus voor de medicijnstudie maar worden opgeheven. En je kunt ook “cru gezegd” jonge veelbelovende specialisten uit het buitenland importeren. Linksom of rechtsom. Je kunt ook instellingen waar wachtlijsten ontstaan flinke boetes opleggen, want een aantal maanden op de golfbaan hangen geeft geen pas en is decadent. Getuige exact dezelfde discussie die ruim 20 jaar later wordt gevoerd (zie: groei van de zorgkosten 2014), is het Els Borst ook niet gelukt een structurele ommekeer te bewerkstelligen. Eerst bracht ze in 1996 de “Wet Geneesmiddelenprijzen” tot stand, die de minister de bevoegdheid geeft prijzen van geneesmiddelen vast te stellen. Zij bracht in 2001 de nota “Vernieuwing van het zorgstelsel” uit, waarin de plannen voor een nieuw ziektekostenstelsel worden ontvouwd. Er moet één algemene verzekering curatieve zorg komen, die geïntegreerd wordt met de AWBZ (Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten) en de sturing van de zorg moet worden herzien. Maar ook dat plan sneuvelde!

In al deze voorstellen zien we een belangrijke taak weggelegd voor de overheid, namelijk stringent en streng toezicht vanuit het publieke domein, dus de overheid.

Op weg naar een nieuwe zorgverzekering

Hans Hoogervorst (VVD) werd minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport in de kabinetten Balkenende II en III. Wat zijn voorgangers niet lukten, lukte hem wel, nl. het invoeren van een nieuw zorgstelsel. Vooral lukte het hem, doordat er een heldere verdeling werd opgenomen met betrekking tot de verantwoordelijkheden tussen zorgverzekeraars, zorgaanbieders en de overheid. Daarin verviel het onderscheid tussen ziekenfondspatiënten en particulier verzekerden. Er kwam een basisverzekering per 01-01-2006, waardoor alle Nederlanders in principe grosso modo zijn verzekerd tegen de risico’s die golden in het voormalige ziekenfonds. Burgers kunnen zich bijverzekeren tegen risico’s die buiten het basispakket vallen. Er kwam een zorgtoeslag om premies betaalbaar te houden voor mensen met lage inkomens (CDA).

Zijn voorstellen maakten hem bij een deel van de in de gezondheidszorg werkzame mensen minder populair. Huisartsen voerden stakingsacties uit tegen de regeringsplannen, want zij waren bang dat zij niet meer op eigen gezag medicijnen konden voorschrijven die zij nodig achten, maar dat de zorgverzekeraar hen dat ging opleggen. Daarvoor was er het schandaal geweest dat farmaceutische bedrijven huisartsen uitnodigden voor seminars in Afrika met bijvoorbeeld een leuke safari er achteraan, als zij een bepaald medicijn in het afgelopen jaar flink hadden voorgeschreven. Kortom een bonus op het voorschrijfgedrag van bepaalde medicijnen door huisartsen. Hoogervorst verdedigde echter met succes zijn wetsvoorstellen in het parlement, zodat de nieuwe Basisverzekering per 1 januari 2006 een feit werd. In zijn verdediging nam Hoogervorst mee, dat de Basisverzekering een naturapolis zou zijn, maar dat er ook een restitutiepolis of een combinatie van natura en restitutie mocht worden gevoerd. Dit na een intensieve lobby van de zorgverzekeraars. En daarmee is gelijk de eerste grote weeffout van de nieuwe zorgverzekering een feit. Een tweede weeffout was het feit, dat het nieuwe zorgstelsel goedkoper, efficiënter, sneller en concurrerend zou worden, want er zou gereguleerde marktwerking tussen de verzekeraars komen, maar wel onder regie van de overheid en via overleg tussen de marktpartijen. Dit was het paradepaardje van de VVD. Het CDA kreeg destijds in ruil daarvoor de door hun voorgestelde wijzigingen in de WIA. Politiek uitruilen heet dat.

 

Eerste weeffout

Als we teruggaan naar het oude Ziekenfondssysteem, dan hebben we gezien dat dit een stelsel was op basis van natura vergoeding via regionale zorginkoop. En dat functioneerde jarenlang uitstekend. De nieuwe Basisverzekering zou het model van het oude Ziekenfonds overnemen, dus alleen een natura stelsel. Bij de introductie van het nieuwe Zorgstelsel is gekozen voor drie soorten modelpolissen: de natura polis, zeg maar conform het oude ziekenfonds; de restitutie polis en een combinatie tussen natura en restitutie. Dat veronderstelt dus een gigantisch premieverschil tussen de diverse modellen. Maar niets is minder waar! De premieverschillen lopen niet hoger op dan nog geen € 5,- of zelfs minder per maand, zodat de grote vraag zich voordoet: wie financiert en subsidieert nu wie? Ongeveer 70% van de bevolking heeft gekozen voor een basispolis op natura basis, net zoals voorheen 70% van de bevolking viel onder het oude Ziekenfonds. Slechts 30% van de bevolking heeft gekozen voor een basispolis op restitutie basis. Dat betekent dus, dat de mensen met een natura polis, zeg maar de mensen met een kleine portemonnee, de mensen met een grotere portemonnee (restitutie polis) mede subsidiëren via de zogeheten kruissubsidie. Want de Basisverzekering (natura en dus ook restitutie) kent acceptatieplicht, dus iedereen wordt op basis van non-selectie geaccepteerd. Technisch heet dat dan: er is sprake van omgekeerde solidariteit, want de armen subsidiëren de rijken. Dat betekent dat de mensen met een kleine portemonnee feitelijk te veel betalen voor hun natura zorgverzekering. In het regeerakkoord van het kabinet Rutte 2 is zelfs opgenomen, dat de basisverzekering beperkt zou worden tot de natura polis en dat de restitutiepolis in 2017 over gaat naar de aanvullende verzekering. Volkomen terecht! En het is zeker, dat de premies van de aanvullende verzekeringen dan echt uit elkaar gaan lopen en dat een aanvullende restitutiepolis veel duurder wordt. En er zullen gezondheidsvragen worden gesteld voor de acceptatie. Dus het non-selectieve karakter wordt daarbij, en terecht, opgeheven! Minister Schippers heeft dit voorstel in de ijskast gezet, zolang de meerderheid van de zorgverzekeringen blijft bestaan uit natura polissen. Dus kun je wachten tot Sint Juttemis. Een uiterst zwakke redenering en eigenlijk schandalig! De verwachting van minister Schippers is dat de premie in het huidige gehanteerde systeem voor de restitutiepolis en de naturapolis steeds verder uit elkaar gaan lopen. Dat is een utopie en flauwekul, want we zijn nu 10 jaar verder en de premies zijn feitelijk helemaal niet uit elkaar gegroeid. De liberalen laten kennelijk graag mensen met een kleine portemonnee meebetalen aan mensen met een dikke portemonnee. Dat heet dus geen solidariteit, maar omgekeerde solidariteit.

De financiering van ons zorgstelsel is als volgt geregeld:

Een nominale premieheffing vanaf 18 jaar: zie bijlage Nominale premies Zorgstelsel

  1. Een inkomensafhankelijke Zvw-bijdrage (Zorgverzekeringswet) van 6,65 % (2017 regulier tarief). Het maximuminkomen waarover deze bijdrage wordt berekend is € 53.701,-. Dus maximaal € 3.571,- per jaar (2017 regulier tarief). Ik heb gekozen voor het reguliere tarief omdat de werkgevers hiervan momenteel de volledige IB voor hun werknemers betalen. Met betrekking tot de inkomensafhankelijke bijdrage: werkgevers betalen de volledige IB voor hun werknemers (regulier tarief). De verdeling tussen IB aan de ene kant en nominale premie en rijksbijdrage aan de andere kant is 50/50. Als de IB in een jaar teveel opbrengt wordt het percentage het volgende jaar verlaagd. En dat is nu al een paar jaar het geval, maar dat betekent in feite dat werkgevers het voorafgaande jaar teveel hebben betaald. En dat is nu al een paar jaar het geval, maar dat betekent in feite dat werkgevers het voorafgaande jaar teveel hebben betaald.

Ik verwacht dat de IB per 2018 omhoog moet, omdat de minister de nominale premie voor 2017 (belachelijk) laag had geschat. Dus is ook de IB te laag geschat en dat wordt dan volgend jaar weer gecompenseerd.

 

 

  1. Een inkomensafhankelijke Wlz-bijdrage (Wet langdurige Zorg) van 9,65%. Het maximuminkomen waarover deze bijdrage wordt berekend is, schrik niet, € 33.791,- (2017). Dus maximaal € 3.260,83,- per jaar. Deze grens dateert nog uit ons oude stelsel, de oude inkomensgrens voor Ziekenfondsverzekerden. U ziet dat de middeninkomens en hogere inkomens volledig buiten schot blijven en dat heet dan solidaire toerekening? Kennelijk krijgen rijkere mensen nooit last van Altzheimer of Parkinson etc. Ook hier is sprake van: omgekeerde solidariteit!

Mogelijke oplossingsrichting

Vanwege de geschetste omgekeerde solidariteit is er alle reden om een hogere inkomensafhankelijke zorgpremie voor met name de Wlz (Wet Langdurige Zorg) in te voeren. Nu zijn de inkomens gemaximeerd op ca. € 54.000,- voor de Zvw (Zorgverzekeringswet) waarvan de werkgevers de volledige IB betalen, maar kennelijk niet voor de werknemers met een hoger inkomen. Je zou dus de procentuele premies kunnen verlagen, de totale lasten voor de werkgever gelijk houden en ook de hogere inkomens over hun hogere inkomen dan ca. € 54.000,- procentueel mee laten betalen. Dat doet meer recht aan een ‘solidaire toekenning’ en zal de acceptatie bij het volk vergroten. Voor de Wlz (Wet Langdurige Zorg) is de grens waarover procentuele premie wordt berekend gesteld op een maximum inkomen van ca. € 34.000,- , maar dat mag best naar € 150.000,- of liever over het echte volledige inkomen conform vaststelling door de belastingdienst. De inkomensafhankelijke procentuele premies kunnen omlaag bijgesteld worden nu de inkomensafhankelijke bijdragen (procentuele premies) over hogere inkomens geheven worden. Bijkomend verschijnsel zal zijn, dat de Zorgtoeslag waarschijnlijk minder hoog uitvalt! Het gaat in eerste instantie om het solidariteitsbeginsel: iedereen betaalt naar draagkracht, dus mensen met een dikkere portemonnee betalen mee voor mensen met een dunnere portemonnee. Jong betaalt voor oud en gezond voor ongezond. Dat is nu solidariteit in optima forma bij een verplichte Basisverzekering en dat moeten we koesteren. Dat is met belastingen en met huurwoningen ook zo. Het geldt o.a. voor inkomstenbelasting en wegenbelasting. Hoe zwaarder en hoe duurder de auto, hoe meer wegenbelasting: terecht en fair. De rijkeren vergeten graag dat ze hun inkomen verdienen in een samenleving waar we allemaal deel van uitmaken. Alleen dank zij die samenleving kunnen zij hun inkomen verwerven. Dan ook niet klagen als je een evenredige solidaire bijdrage moet leveren aan die samenleving. Dus niet parasiteren op de samenleving!

En we moeten voor de Basisverzekering alleen uitgaan van een verzekering in natura, conform het oude Ziekenfondsmodel. Een restitutie- polis regel je maar via de aanvullende verzekering, want nu zijn de mensen met een dikkere portemonnee dus op non-selectie basis in de restitutie- Basisverzekering terecht gekomen (ca. 30% van de bevolking) en ze betalen daarvoor nog geen € 5,- per maand meer premie. Ongehoord, dat de mindere portemonnees feitelijk weer de dikkere portemonnees subsidiëren.

 Tweede weeffout

Het nieuwe zorgstelsel zou goedkoper, efficiënter, sneller en concurrerend worden, want er zou “gereguleerde” marktwerking tussen verzekeraars komen. Er zou concurrentie komen tussen zorgverzekeraars, ziekenhuizen en zorgaanbieders vanwege “zorginkoop” door verzekeraars. De vraag is gerechtvaardigd, wat daar nu echt van is terechtgekomen? Zorgpremies zijn ontegenzeglijk gestegen en het ingevoerde verplichte eigen risico is stelselmatig verhoogd. Dat komt o.a. door het feit dat de Basisverzekering een publieke verzekering is, maar de uitvoering is overgelaten aan private zorgverzekeraars. En dat hebben we geweten. Er is nauwelijks sprake van concurrentie. Alle Nederlanders zijn verplicht een zorgverzekering af te sluiten. Er is dus sprake van gedwongen winkelnering. Het overgrote deel van de verzekerden is aangesloten bij een van de vier grote verzekeraars, die door fusies en overnames zijn ontstaan. Samen verdelen die ca. 90% van de “markt” en zijn ze oppermachtig. De vier grootste verzekeraars op een rijtje:

Achmea met ca. 5,2 miljoen verzekerden; VGZ met ca. 4,2 verzekerden; CZ met 3,5 verzekerden en Menzis met 2,3 miljoen verzekerden.

Deze grote spelers in onze zorgverzekeringsmarkt lijken allemaal op elkaar. Ze richten zich allemaal op zorginkoop, de laagste prijs, de hoogste kwaliteit. Wat dat betreft zouden ze direct kunnen fuseren. Dan hebben ze nog meer macht. Feitelijk doen ze allemaal hetzelfde. En dat brengt een “nationalisatie” gevaarlijk dichtbij. Of een “Nationaal Zorgfonds”, die de macht van de Zorgverzekeraars wenst in te perken. Maar met alleen een Nationaal Zorgfonds los je de echte problemen feitelijk niet op.

Dat er zeer beperkte concurrentie is, blijkt uit het feit dat er sinds 2006 geen enkele nieuwe zorgverzekeraar is bijgekomen. Want private verzekeraars fuseerden zich feitelijk uit het zorgstelsel. En als antwoord op deze grote machtige verzekerings-giganten en hun “dictaten” bij de zorginkoop, fuseerden de ziekenhuizen zich vervolgens uit het stelsel. Dus zowel zorgverzekeraars als ziekenhuizen zijn thans uit het stelsel gefuseerd. Kortom: de groei van de kostenstijging in de gezondheidszorg zal beslist niet afnemen. De NZa, de destijds in haast opgezette Nederlandse Zorgautoriteit, als marktmeester aangesteld, stond erbij en keek erna en keurde de fusies goed. Kortom: de NZa heeft haar werk niet goed gedaan. Dat betekent dat in de schakel van verantwoordelijkheden tussen zorgverzekeraars, zorgaanbieders en overheid, de overheid in de vorm van de Nederlandse Zorgautoriteit een zwakke schakel bleek. Hoogste tijd om in te grijpen, want het gaat bij dit alles altijd over de ruggen van (dood)zieke patiënten! En er vallen nog wel meer weeffouten te constateren.

Marktwerking

Schaalvergroting leidt tot meer bureaucratie en de afstand tussen vakmensen en de leiding neemt alleen maar toe. Met bijvoorbeeld meer dan 1000 werknemers kun je veel minder dingen nog informeel regelen en moeten organisaties regels maken. Daar heb je managers bij nodig, en natuurlijk managers voor die managers.  Zo verschuift de macht van de vakmensen naar de vergaderaars die over de regels gaan. Marktwerking betekent ook concurrentie. Dat doe je met targets. Om te weten wie het ’t beste heeft gedaan moet je meten en vergelijken. Bij kijkcijfers is dat makkelijk, maar in de zorg, onderwijs en op andere terreinen betekent het steeds meer en steeds ingewikkelder formulieren invullen. Anders kan er niet gemeten worden. Zo krijg je nog meer bureaucratie, en nog meer macht voor de managers met de meetinstrumenten. De verliezers zijn de vaklieden, die ook nog eens tegen elkaar worden opgezet.  Ze zijn voortaan immers met elkaar in concurrentie.

Marktwerking heeft dus een “perverse” prikkel in de markt geïntroduceerd. Immers het systeem zit zo in elkaar dat een hoog aantal patiënten, ingrepen en operaties de kassa doet rinkelen. De patiënt als verdienmodel, beste lezer. En dat ook nog tegen de achtergrond van het feit dat we van dertig tot vijftig procent van de zorg niet weten of die wel effectief is. Extra pijnlijk omdat de beloften van de marktwerking waren: efficiënter, sneller, goedkoper en concurrerend. Op alle vier van deze speerpunten, volgens het tweeluik van het tv-programma Radar van alweer even geleden, zijn de doelstellingen niet gehaald. Met de patiënt en samenleving als grootste slachtoffer. Naast dat het zorgstelsel een verdienmodel is geworden, zijn de kosten sinds ruim 10 jaar marktwerking met 45 procent gestegen tot het astronomische bedrag van 94 miljard euro per jaar! De marktwerking heeft van ziekenhuizen productiebedrijven gemaakt. Fabrieken waar mensen als machines worden behandeld. Waar ingrepen en operaties geld opleveren, maar een goed gesprek van artsen met de patiënt ze een dief van de eigen portemonnee maakt. Oud-minister Borst noemde dat ooit kijk- en luistergeld.

Mogelijke oplossingrichting

Zorgverzekeraars mogen alleen op de Nederlandse markt opereren als zij een “Coöperatie” met leden zonder winstoogmerk zijn of via een “Onderlinge” structuur met leden, uiteraard ook zonder winstoogmerk. De leden hebben het voor het zeggen en niet de aandeelhouders. Je kunt te grote zorgverzekeraars ook opknippen. Overwinsten komen ten goede aan de verzekerde leden. Deze coöperatieve of onderlinge structuur geldt zowel voor de Basisverzekering als ook voor de “aanvullende zorgverzekeringen”, zodat niet op slinkse wijze een aparte NV in het leven wordt geroepen voor het zogeheten “private” deel van de zorgverzekering, zoals nu wel het geval is. De aanvullende verzekeringen waren in het verleden van de Ziekenfondsen veelal ondergebracht in een NV constructie en bleken de melkkoe te zijn waar flinke winsten werden behaald. Ruim 84% van de verzekerden heeft thans een aanvullende verzekering! Dus voor alle leden controleerbaar en dus streven naar optimale transparantie. Dat is een forse inspanning, maar de zorgverzekeraars hebben het er zelf naar gemaakt. Zorgverzekeraars hebben hun regierol niet ingevuld, zo is gebleken. Tot 2006 waren ze de administrateurs van de zorg. Het grootste deel van de gezondheidszorg is planbare zorg waarvan de kosten goed zijn te schatten.

[‘Noot: Dus je kunt ook meerjarige zorginkoop trajecten met zorgaanbieders afspreken/contracteren en daarop ook de Basis Natura Polis aanpassen( restitutie- model verdwijnt naar de aanvullende verzekering). Overstappen naar een andere Zorgverzekeraar mag dan nog eenmaal per drie jaar. Meer rust in de tent en minder marketingkosten, ca. € 252 miljoen (zie: https://zoek.officielebekendmakingen.nl/blg-727405) in 2017, om elk jaar overstappers te lokken’.

Daarna kwam de machtsconcentratie, rigide bureaucratisering en het oppotten van premiegelden, waarmee de Zorgverzekeraars zich zodoende uit het stelsel fuseerden. Ook hier zien we dus dat de keten net zo sterk is als de zwakste schakel. Dit is de tweede zwakke schakel in de verantwoordelijkheden tussen zorgverzekeraars, zorgaanbieders en de overheid. Dit roept om renovatie van het stelsel!

Een goed gesprek tussen arts en patiënt betekent luisteren, aandacht geven, ruimte laten aan de inbreng van de patiënt, het afzien van behandelingen, vaak in het belang van de patiënt zelf. Er is meer gezondheidswinst te behalen tegen structureel lagere kosten. Op zoek gaan naar nieuwe bekostigingsmodellen die eerste en tweedelijnszorg verbinden. Stem zorgbeleid beter af op type patiënt en zijn/haar aandoening c.q. aard van de zorgvraag. Volgens sommige deskundigen kunnen we een derde van de ziekenhuiskosten besparen als wij in dialoog zouden gaan en de patiënten meer zouden betrekken in het besluitvormingsproces. Kennelijk maakt een goed gesprek van artsen met de patiënt ze een dief van hun eigen portemonnee. Zo bezien, kan er geen andere conclusie worden getrokken dan dat ons zorgsysteem zelf het probleem is. Om het met toepasselijke woorden te zeggen: het systeem zelf is ziek!

Maximalisatie verzekerden aantallen

De huidige grote vier zorgverzekeraars zijn veel te groot en dus te machtig geworden. Dan zullen er ook limieten gesteld moeten worden aan het aantal verzekerden. Zorgverzekeraars mogen niet meer dan 1,5 tot maximaal 2 miljoen verzekerden omvatten en de huidige overschrijding kunnen ze veilen op basis van postcodes met andere, wellicht nieuw op te richten, zorgverzekeraars. Of weer bijvoorbeeld Agis en De Friesland herintroduceren, kortom: te grote verzekeraars opknippen. Op deze wijze wordt een gelijk speelveld gecreëerd, waardoor de concurrentie zijn echte werk kan doen. Voorbeeld: Achmea/Zilveren Kruis heeft een agglomeratie aan verzekerden in de Rijnmond. Dit continent sluit niet direct aan op de overige postcodes van Achmea verzekerden. Zorgverzekeraar DSW zou dit contigent kunnen kopen via een veiling, want hun regio sluit naadloos aan op die van de Rijnmond. Ook een nieuw op te richten verzekeraar of buitenlandse verzekeraar kan aan deze veiling meedoen. De prijs die men via de veiling moet betalen kan bijvoorbeeld, het blijft een suggestie, gelijk worden gesteld aan de prijs per verzekerde die zorgverzekeraars jaarlijks uitgeven aan de zogeheten “overstappers” (zie onder Woeker Zorgpolis).

En deze oplossingsrichting lijkt mij een redelijk begaanbare weg om “nationalisatie” of een “Nationaal Zorgfonds” te vermijden. Zo doormodderen heeft geen enkele zin en geeft geen toegevoegde waarde aan klanten. Dus er moet hard worden ingegrepen en er zal een nog heldere verdeling van verantwoordelijkheden tussen zorgverzekeraars, zorgaanbieders en de overheid moeten worden gedefinieerd en strakker worden nageleefd via controle mechanismes. Dat hebben we in de afgelopen tien jaar wel mogen constateren. De burgers zijn het zat om elk jaar meer geld kwijt te zijn voor hun Zorgverzekering en je kunt er op wachten dat de wal het schip gaat keren. Wees het voor!

Nationalisatie

Nationalisatie kan een oplossingsrichting zijn, waarbij alle zorgverzekeraars worden omgevormd tot één publieke organisatie. De vraag daarbij is of een zo een groot publiek domein voor de overheid wel uitvoerbaar is, zonder veel en onnodige geldverspilling en verdere bureaucratisering. Dan krijg je dus ook publieke zorginkoop op regionaal niveau via regionale oriëntatie. Dus de overheid krijgt er een forse taak bij en de vraag is of de overheid dit wel aankan en vooral of ze deze verantwoordelijkheid wel alleen wenst te nemen. Nederland is sterk en groot geworden door samen te werken met het maatschappelijk middenveld en daar dus ook verantwoordelijkheden neer te leggen. Een nationalisatie zou dit succesvolle beleid volledig negeren. Je heft de zorgverzekeraars feitelijk op, maar ze moeten wel hun zorginkoop en administratie blijven uitvoeren. Dat ga je dan vervolgens overhevelen naar het “publieke domein” dat overheid heet. Als dat maar goed gaat, want het verleden heeft ons daar geen fraaie voorbeelden van opgeleverd.

Groei van de zorgkosten 2014

Er is vooral bezuinigd op de groei van de zorg. Maar toch voelt dat als een verschraling. En dan te bedenken dat tot op de dag van vandaag de zorguitgaven nog altijd sneller groeien dan de economie zelf. De gevoelde verschraling was wennen in 2014, het jaar waarin de grootste operatie in de zorgsector, de overgang van Rijk naar Gemeenten, werd voorbereid. Was 2014 het eerste meevallende jaar sinds de kredietcrisis? Als je blij bent met 0,75% economische groei wel. Het kan straks beter, maar een terugkeer naar de groei die ooit gewoon was, lijkt ver weg. Kunnen we van dat pessimisme weer afscheid nemen, nu de weg omhoog in 2014 langzaam inzette? Neen. Voor 2015 voorziet het Centraal Planbureau een groei van 1,5 %. Daar zijn we tegenwoordig blij mee, maar het is nog steeds niet veel. En bovendien: een dalende euro helpt. Een inzakkende olieprijs eveneens. De lage rente is een zegen. En de gedaalde inflatie ook. Maar alle zijn ze er tegelijk een teken van dat er nog grondig iets mis is. Niet alleen omdat zij merendeel tekenen zijn van zwakte in de wereldeconomie. Maar ook omdat het veel zegt over de Nederlandse economie zelf. Want als er met zoveel meewind, zoveel monetaire sturing en stimulering en zoveel in te halen achterstand, een groei uitkomt van 1,5% in 2015, dan moet worden geconstateerd dat de structureel lage potentiële economische groei voorlopig nog wel even bij ons is.

Maar het blijft zeer zorgwekkend, dat de zorguitgaven sneller groeien dan de economische groei. En de vraag is gerechtvaardigd hoelang de bevolking deze premieverhogingen en verhogingen van het verplichte eigen risico nog blijft pikken? De politiek kan dit maar beter voor zijn, anders gaat de wal het schip keren.

Nederlandse zorg is bijna de absolute top van de wereld, zeggen onze politici; onze zorg is wel het duurst!

Volgens het Amerikaanse onderzoeksbureau Bloomberg staat Nederland nummer 40, nipt voor België. Bloomberg zet de kosten van het zorgstelsel af tegen de opbrengsten: wat levert het geld dat in het systeem wordt gestopt nu op aan gezondheidswinst? Dat Nederland in deze lijst zo slecht scoort komt doordat onze zorguitgaven tot de hoogste van de wereld behoren. Verder is de lage klassering te wijten aan het gegeven dat Nederlanders veel roken vergeleken met andere Westerse landen. Daardoor blijft onze levensverwachting achter, volgens Bloomberg.

Een publicatie die wel wat zegt over de kwaliteit van het Nederlandse zorgstelsel is “Health at a glance” van de OESO. Deze instelling doorstaat de wetenschappelijke toets glansrijk. Wetenschappers doen soms twee jaar over het opstellen van één indicator. Een degelijke publicatie dus, waarin Nederland bij de meeste indicatoren in de middenmoot staat. Een opvallende positieve uitschieter is het beperkt voorschrijven van antibiotica. Wat ook goed gaat, is het voorkomen van vermijdbare ziekenhuisopnamen voor patiënten met diabetes en COPD.

Kennelijk behoort Nederland wat de gezondheidszorg betreft tot een degelijke middenmoter, maar behoort Nederland bijna tot de absolute top zoals veel politici beweren. Onze zorguitgaven zijn wel de absolute top van de wereld!

Rem op de kostenstijging in de gezondheidszorg, kan dat?

De kosten van de gezondheidszorg rijzen toch de pan uit? Zeker, maar er zijn ook positieve voorbeelden, dus ja, dat afremmen van de kostenstijging kan. In Zuid-Afrika zijn ze gaan experimenteren met korting als je gezonde producten koopt. Je verdient spaarpunten bij de zorgverzekeraar. Als we niks doen blijven de kosten fors stijgen. Daar is een aantal redenen voor. Het aantal chronisch zieken en het aantal kankerpatiënten zullen stijgen, we maken gebruik van nieuwe en dure medische technologie en dankzij internet stijgt de diagnostiek: mensen schrijven zichzelf allerlei ziektes toe. Dat gaan we niet volhouden. En waar moet straks het personeel vandaan komen dat al die zorg moet verlenen? Ook zou je na kunnen denken over onze voedselketen. Krijgen we wel gezond voedsel op ons bord, van plofkip tot frisdranken, en moeten we dan niet voor ongezonde producten (je wilt niet weten hoeveel chemische rommel in ons voedsel zit) en het pakje sigaretten een extra zorgbelasting heffen bij de producenten hiervan. En dan die opbrengsten niet in de algemene middelen laten verdwijnen, maar ten goede laten komen aan de zorgbegroting. Het is slechts een idee!

Met een groeiend aantal ouderen en chronisch zieken is een omslag nodig om de zorg betaalbaar, bereikbaar en van hoge kwaliteit te houden. Denk aan de mogelijkheden van E-health, data analytics, thuisdiagnostiek, 3d-printing, blockchain. Op 15 september 2016 brengt NRC Live, innovatie en zorg bij elkaar en wordt o.a. besproken hoe innovatie in de zorg doelmatiger kan verlopen en hoe je de patiënt meer bij zijn eigen zorg betrekt en wat er nodig is voor een betere samenwerking. Kortom: een initiatief van een krant en niet van een van de verantwoordelijke spelers in het zorgdomein.

Oplossingsrichting: gedrag, innovatie en drastische hervorming van het financiële model.

Wat gedrag betreft: maak de gezonde keuze makkelijker. Geef mensen een duwtje in de goede richting. We moeten toe naar een gemeenschap die bewust met geld en gezondheid omgaan. In Zuid-Afrika zijn ze gaan experimenteren met korting als je gezonde producten koopt. Je verdient spaarpunten bij de zorgverzekeraar, zogenaamde Health miles.

De te hoge kosten in de zorg zitten o.a. in twee belangrijke elementen: overconsumptie en onderconsumptie. Bij overconsumptie gaan mensen te snel naar de huisarts, de specialist of kiezen te snel voor een dure scan. In België noemt men het eigen risico “remgeld” en dat betekent dat er een rem op deze consumptiedrift moet komen. Dus bewust met geld en gezondheid omgaan.

Bij onderconsumptie blijven mensen te lang doorlopen. Men gaat niet op tijd naar de arts en neemt niet deel aan preventief onderzoek. Een kwart van de vrouwen gaat niet naar borstkankeronderzoek. Onder die groep komt juist het hoogste percentage borstkanker voor. Als je de ziekte te laat ontdekt, dan is het ook weer kostbaar en de kwaliteit van leven wordt minder. Ook hier weer: bewust met geld en gezondheid omgaan.

Hoogleraar Zorg, arbeid en politieke sturing aan de Vrije Universiteit, de heer Ab Klink, voormalig minister van Volksgezondheid (CDA) geeft aan dat de zorg ca. 20% voordeliger kan als we bewust met geld en gezondheid omgaan. Dat is ruim 8 miljard euro op jaarbasis. Dat heeft wel een incubatietijd nodig, maar het is zeker nodig om deze weg in te slaan.

Al eerder is aangegeven, dat we een derde van de ziekenhuiszorgkosten kunnen besparen als wij in dialoog zouden gaan en de patiënt meer zouden betrekken in het besluitvormingsproces.

Verder zijn er talloze succesvolle innovaties in Nederland. We kunnen de zorg heel ingewikkeld maken, maar het uitgangspunt is eenvoudig. Er zijn mensen met een zorgvraag en mensen die anderen – vaak uit roeping – willen helpen. Als men die twee bij elkaar brengt, komt het meestal wel goed. Alleen hebben we door allerlei protocollen, regels en systemen die kernwaarde uit het oog verloren en raken zorgverleners de kluts kwijt.

Neem de thuiszorg. Daar dreigt schaalvergroting het te gaan verliezen van schaalverkleining. De zorgsector bestaat voor ca. 80% uit personeelskosten en 20% uit overige kosten. De grotere instellingen focussen te vaak op besparingen binnen die 20% aan overige kosten. De oplossing ligt vaak in een andere manier van werken, bijvoorbeeld in teams die zelfstandig taken oppakken.

In ziekenhuizen moeten we af van de klassieke indeling in divisies en vakgroepen. Doorbreek die silo’s en stel de aandoening van patiënten centraal. Alle specialisten, verpleegkundigen en andere professionals, die bij een behandeling zijn betrokken zitten voortaan samen met de patiënt aan tafel.

Vervolgens komt een ander financieel model in beeld, bestaande uit drie lagen.

De eerste laag is een populatiegebonden bekostiging van ca. 80%. Elke zorgaanbieder krijgt een vast bedrag, op basis van het aantal patiënten in zijn praktijk (huisartsen werken al zo), én op basis van een aantal kenmerken van die groep. In de verloskunde gaat het om het aantal zwangere vrouwen in de regio, in de jeugdzorg en de wijkverpleging moet je factoren als opleiding en werkloosheid verdisconteren. In de ambulancezorg gaat het dan weer om de graad van bevolkingsdichtheid. Zorg er voor, dat zorgaanbieders voldoende zorg blijven leveren (via het eerste tarief hebben ze het belangrijkste deel van hun jaarinkomen namelijk al binnen).

Er komt een tweede tarief voor specifieke verrichtingen (ca. 10%). Een kleine financiële prikkel. Denk bijvoorbeeld aan Finland, waar in de winter altijd veel meer mensen hun botten breken en chirurgen dus harder moeten werken. Dit tweede tarief is belangrijk, want als zorgaanbieders lui worden ontstaan wachtlijsten, en door de kwestie van de wachtlijsten is het kabinet Paars II indertijd gevallen. 

Ten derde: open innovatie. Wie innoveert krijgt een toeslag (ca. 10%). Wie de innovatie overneemt krijgt ondersteuning. Kortom: de handen uit de mouwen want zo doormodderen heeft geen zin.

Rem op de zorgkosten via eigen risico of eigen bijdragen?

Het is van belang dat beschikbare premiegelden doelmatig worden aangewend. De overheid doet haar best om zorgverleners zo doelmatig mogelijk te laten werken en de zorg zo efficiënt mogelijk in te richten. Een van de instrumenten daarbij is het eigen risico. Internationaal kent Nederland een zeer bescheiden eigen risico regeling en velen lopen hiertegen te hoop. Mensen zijn niet voor hun lol ziek, dekt natuurlijk niet de lading van het relatief geringe bedrag van € 385,- eigen risico in vergelijking met de vele duizenden euro’s die medische behandelingen soms kosten. Je kunt het eigen risico afschaffen, maar dan wordt een jaar later alsnog de rekening betaald in de vorm van een fiks hogere premie. Dit is window dressing en biedt geen soelaas. Het eigen risico is en blijft een nuttig instrument om onnodige behandeling en daarmee gepaard gaande kosten te beperken. Zonder eigen risico lijkt alles gratis en dat moeten we niet willen. Dat zie je aan de zorgconsumptie als het eigen risico is verbruikt. December is een topmaand. Er worden meer diagnoses gevraagd en vastgesteld. Daarnaast worden medicijnen gehamsterd. Dat is het zwakke punt van het huidige eigen risico, want zorggebruikers zijn consumenten geworden die rondkijken wat er aan voordelen te halen valt. Het wordt in één keer opgesoupeerd, bijvoorbeeld aan een bezoek aan het ziekenhuis en dan heeft het eigen risico geen functie meer. Ik pleit er voor om het eigen risico te vervangen door een systeem van eigen bijdragen, zoals men in Frankrijk kent. De eigen bijdragen zou een percentage van de gemaakte kosten moeten bedragen tot een maximum van het huidige eigen risico. Het voordeel is dat de patiënt zich bewust wordt van de kosten van onderzoek en behandeling want hij draagt bij met een percentage ervan. Een ander voordeel is dat de patiënt niet in één keer het hele eigen risico hoeft te betalen, maar steeds een klein deel. Op deze wijze blijft het instrument langer functioneel. En dat is nuttig, want door marktwerking en beschikbaarheid van talloze gezondheidssites op internet is de patiënt steeds meer een zorgconsument geworden. Steeds vaker komt de patiënt niet met een klacht naar de huisarts, maar met een verzoek om een MRI, een röntgenfoto, een check-up, een laboratoriumbepaling (vitamines bijvoorbeeld), een verzoek tot verwijzing naar een speciaal ziekenhuis etc. Vaak zijn deze onderzoeken niet nodig. De gedachte is: baat het niet, dan schaadt het niet. En als het eigen risico verbruikt is, kost het niets. Deze redenering is onjuist en onwenselijk. Het gaat juist om voorkoming van onnodige onderzoeken en onnodige behandelingen, waardoor de kosten beperkt blijven. Dan krijgen we betere zorg voor een lagere prijs en daar heeft de burger wat aan!

Komen zorgverzekeraars hun afspraken na met hun klanten?

Iedereen is het er wel over eens, dat in de gezondheidszorg de patiënt centraal zou moeten staan. Het complete zorgstelsel, van huisartsen tot medisch specialisten, van ziekenhuizen, verzorgingstehuizen etc. tot zorgverzekeringsmaatschappijen, is er voor de patiënt. Gezondheidszorg in brede zin, dus inclusief de overgehevelde taken van Rijk naar Gemeenten, biedt werk aan meer dan 1 miljoen mensen. Tegelijkertijd is de vraag naar gezondheidszorg schier eindeloos, waardoor elke samenleving vroeger of later wordt geconfronteerd met de economische grenzen aan de zorg. Hoeveel geld willen burgers en bedrijven per saldo betalen voor de meest adequate gezondheidszorg? Die spanning is voelbaar. In ieders eigen portemonnee. En in de politiek, zeker in periodes zoals nu, waarin de economische crisis allen dwingt met minder (groei) rond te komen.

Sinds begin 2006 hebben de zorgverzekeraars de wettelijke taak om elke burger te verzekeren en de beste zorg “in te kopen” tegen aanvaardbare kosten. Dat kun je beschouwen als een publieke plicht, maar met zorgverzekeraars als private uitvoerders. En dat gaat natuurlijk flink wringen! De voorzieningenrechter heeft in een proces geoordeeld dat een zorgverzekeraar als uitvoerder van de Zorgverzekeringswet een publiekrechtelijke instelling is, omdat meer dan de helft van de financiering via de overheid komt. Daarnaast kent de Zorgverzekeringswet een aantal publiekrechtelijke waarborgen waar zorgverzekeraars zich aan moeten houden, zoals acceptatieplicht basisverzekering (natura + restitutie) en verbod op premiedifferentiatie. Als publiekrechtelijke instelling zou de zorgverzekeraar dan ook de inkoop van zorg moeten aanbesteden volgens de regels van de Aanbestedingswet, waarbij rekening moet worden gehouden met alle zorgaanbieders. Een aanbesteding mag niet zodanig van omvang zijn dat (kleine) zorgaanbieders niet mee kunnen doen met de aanbesteding. Echter procespartij CZ ging direct in hoger beroep. De hamvraag was natuurlijk of de zorgverzekeraar voorziet in een behoefte van algemeen belang “die van commerciële aard is”. Als die niet commercieel genoeg is, dreigde CZ (en de hele zorgverzekeraarsector) bij haar inkoop met aanbestedingsregels te moeten gaan werken. De rechter oordeelde in hoger beroep dat de commerciële aard van een organisatie onder meer blijkt uit de aanwezigheid van een winstoogmerk. CZ heeft dat wel degelijk via de verkoop van zorgpolissen van Ohra en Delta Lloyd, die CZ ook verkoopt. En alle zorgverzekeraars maken winst en streven winst na, zo betoogde de verzekeraar. De zorgverzekeraar wordt bestuurd “op basis van criteria van rendement, doelmatigheid en rentabiliteit”. De rechter gaf CZ gelijk en vernietigde het eerdere vonnis. CZ opent zijn jaarverslag over 2015 met de frase dat het een “niet op winst gerichte zorgverzekeraar” is. CZ heeft dus geen winstoogmerk, maar streeft wel winst na. Dat u het weet! En dat geldt dus nu voor de hele branche!

 

 

Woeker Zorgpolis?

De burger mag elk jaar voor 31 december “verplicht” een keuze maken voor het daaropvolgende jaar. Blijft hij bij dezelfde verzekeraar of stapt hij over? Dat kun je ook beschouwen als een publieke taak. De burger heeft het nodige te kiezen in de zorgpolissen, denken we, maar dat lijkt veel meer dan het in werkelijkheid is! De keuzes komen uit de koker van 4 te grote zorgverzekeraars, die samen meer dan 90% van de zorgmarkt beheersen. Zij proberen met nieuwe merknamen en nieuwe aanbiedingen nieuwe klanten te werven en dus feitelijk klanten van anderen af te snoepen, want iedereen is verplicht verzekerd. Let maar op, men komt straks met regio zorgpolissen! De kosten verbonden aan dit jaarlijks festival aan acquisitie, sponsoring en reclame kost € 252 miljoen. De kosten per nieuwe binnengehaalde verzekerde (ca. 1,2 miljoen) zou dan ongeveer € 210,- bedragen. De zogeheten keuzevrijheid van verzekerden wordt steeds meer geweld aan gedaan. Drie grote zorgverzekeraars hebben in hun polissen de ontsnappingsclausule opgenomen, dat zij de patiënt mogen doorsturen naar een andere zorgaanbieder als het budget met de beoogde eerste zorgaanbieder is opgesoupeerd. Slechts één van de grote vier zorgverzekeraars heeft deze clausule niet opgenomen. Verzekeraars die gecontracteerde zorg, waarvoor de burger een polis heeft gekocht, niet waarmaken omdat het budget dat zij hebben afgesproken is opgebruikt, lappen de kern van klantrelaties (en nog erger van patiënten) aan hun laars. Dit is onkunde ten top en verzekeraars onwaardig! Het is nota bene een verplichte verzekering en waartegen verzeker ik me eigenlijk? Afspraak dient afspraak te zijn! Een verzekeraar dient zekerheid te bieden, daar is zo’n organisatie voor in het leven geroepen. Anders verkoop je een “woeker zorgpolis”. Dit zijn gewoon onfrisse praktijken. Je kunt als zorgverzekeraar niet eenzijdig de risico’s en lasten afwentelen op de consument, de klant, jouw verzekerde. Ik heb al eerder gesproken over de wenselijkheid de Basisverzekering tot een 3-jarig contract te maken.

MultiZorg als inkoopbureau voor alle zorgverzekeraars?

Kennelijk zijn de zorgverzekeraars niet bij machte onderling oplossingen te regelen via bijvoorbeeld het opzetten van een onderling poolingsysteem met ziekenhuizen en andere zorgaanbieders, zodat ze geen klanten hoeven door te sturen als een budget in een instelling is opgesoupeerd. Zo moeilijk kan dat toch niet zijn! Denk bijvoorbeeld aan MultiZorg, het inkoopbureau van de zorgverzekeraars A.S.R., ENO, ONVZ en Zorg en Zekerheid. Dit bureau koopt kwalitatief goede, betaalbare en toegankelijk zorg in voor alle aangesloten verzekerden, gericht op het bevorderen van gezondheid en kwaliteit van leven. De ingekochte zorg moet klantgericht zijn en bijdragen aan de belangen en de tevredenheid van de verzekerden. Door de vergrijzing en technologische ontwikkelingen zal de zorgvraag blijven groeien. Het is daarom van groot belang om de Nederlandse gezondheidszorg voor iedereen betaalbaar te houden, nu en in de toekomst. De grote vier zorgverzekeraars hadden zich naar mijn mening allang moeten aansluiten bij MultiZorg en haar doelstellingen, zodat je daadwerkelijk als verzekeraar ook regionale zorginkoop in alle regio’s kan realiseren. En als elke zorgverzekeraar zich in MultiZorg heeft verenigd, dan kun je namens deze organisatie alle zorg juist regionaal inkopen, waardoor er meer ruimte komt voor de ‘menselijke maat’. Minder bureaucratie, want nu hoeft niet elke zorgverzekeraar met zijn eigen inkoopteam zelf bij elk ziekenhuis en zorgverlener langs om te onderhandelen, maar geef je het ‘inkoopteam’ van MultiZorg de opdracht om namens meerdere of alle zorgverzekeraars de zorg regionaal in te kopen. Minder duur voor de zorgverzekeraars en meer efficiënt omdat het hele land regionaal wordt afgedekt. De administratieve druk op zorgverleners door de zorgverzekeraars kan dan snel verlicht worden omdat elk inkoopteam met eenduidige formules werkt.

Kortom: een win-win situatie!

Macht van zorgverzekeraars te groot geworden

De zorg zou goedkoper worden, want de zorgverzekeraar koopt voor zijn verzekerden de zorg scherp in, anders verliest hij zijn klanten. Door het onderhandelen van verschillende inkopers, ik pleit voor het inkoopbureau van Multizorg die voor alle zorgverzekeraars de zorg inkoopt, met één aanbieder zou de prijs enorm dalen. Ziekenhuizen, artsen, specialisten, therapeuten etc. worden gek van het eindeloze onderhandelen met de diverse verzekeraars over tarieven, budgetten, behandelingen en verantwoordingen. En voor de patiënt geldt dat de verzekeraar beslist of en waar je zorg krijgt. Dus daarom pleit ik om Multizorg namens alle zorgverzekeraars het inkopen van zorg te laten doen. De nominale premie is de afgelopen jaren enorm gestegen van gemiddeld € 1030,- in 2006 naar € 1241,- in 2017. Daarnaast hebben we een snelle stijging gezien van het verplichte eigen risico, waarbij ruim 3 miljard aan zorgkosten individueel door de patiënten wordt opgebracht. Ook zijn grote delen van fysiotherapie, psychische zorg en maagzuurremmers uit het basispakket gehaald. Een behoorlijke verschraling van het basispakket.

De afgelopen jaren hebben de zorgverzekeraars flinke eigen vermogens kunnen opbouwen uit de ingelegde premies van de burgers. Er is tussen de ca. 9 en10 miljard euro weggezet en dat is ver boven de vereiste solvabiliteitsnorm. Dus eventuele aandeelhouders hebben goed geboerd. Maar hebben de verzekerden ook aardig geboerd? Neen, want zij betalen elk jaar meer voor hun zorgpolis! Vandaar mijn pleidooi voor een echte “Onderlinge” of Coöperatieve structuur, voor zowel Basispakket als aanvullende zorgverzekeringen, zodat overwinsten kunnen terugvloeien naar lagere premies voor de aangesloten leden/verzekerden. En koop zorgcontracten met zorgaanbieders in voor 3 jaar, zodat ook de Basisverzekering op basis van een 3-jarig contract verplicht wordt aangeboden. De bespaarde kosten op marketing etc. komt ten goede aan lagere premies.

Collectiviteiten

In artikel 10 van de Zorgverzekeringswet is opgenomen, dat een zorgverzekeraar de mogelijk heeft om een collectiviteit- korting te geven op de premiegrondslag van de modelovereenkomst tot 10%. De korting kan alleen gegeven worden over de nominale premie. De collectiviteit moet gesloten zijn met een werkgever of met een rechtspersoon die de belangen van natuurlijke personen behartigt. Dit betekent dat ook patiëntenorganisaties en belangengroeperingen, zoals ouderenbonden consumentenbonden, vakbonden, sportbonden etc., een collectiviteit kunnen sluiten.

Het ministerie van VWS geeft aan dat een collectiviteit met een rechtspersoon moet voldoen aan de volgende voorwaarden:

  • De rechtspersoon richt zich op belangenbehartiging van een duidelijk van de rest van de bevolking onderscheidbare groep personen;
  • Een verzekeringsplichtige die van de door de belangenbehartiger bedongen collectiviteit korting gebruik wil maken, behoort tot die groep personen. Als het gaat om een patiëntenvereniging, dan kunnen alleen diegenen voor wie de patiëntenvereniging de belangen behartigt (zoals omschreven in de statuten), deelnemen aan de collectiviteit. Vermeldt de statuten dat de patiëntenvereniging de belangen behartigt van de patiënten én hun gezinsleden, dan kunnen ook de gezinsleden deel uitmaken van de collectiviteit.

 

Het begrip “onderscheidbare groep” wordt door VWS uitgelegd als een “groep met een van niet aangeslotenen onderscheidbaar belang”. Dit opent de deur voor veel rechtspersonen, want als de doelstelling van een rechtspersoon is “het bieden van collectiviteitkorting voor de aangesloten personen”, dan is dat al een onderscheidbaar belang ten opzichte van personen die zich niet aansluiten. De minister zal er op toezien dat de collectiviteitkorting niet wordt betaald door de premie voor individueel verzekerden te verhogen (zogeheten kruisbestuiving).

Het percentage collectiviteiten is in 2014 toegenomen tot 70% en iets afgevlakt in 2015 tot 68,9%. Kortom: gigantische aantallen verzekerden vallen onder een of andere “schijn” collectiviteit. Waaronder dus ook vele patiëntenbelangenverenigingen, waarbij vele bewuste verzekerden zijn aangesloten. Dit is hoogst merkwaardig en feitelijk moeten we spreken van oneigenlijk gebruik. Want bij patiëntenbelangenverenigingen met zeer bewuste verzekerden en dus ook zeer bewuste zorgconsumptie voor hun aandoening op het kwalitatief hoogste zorgniveau, kan worden verondersteld dat deze personen meer zorgconsumptie genereren dan de gemiddelde burger. Dit verschijnsel noemen we dan “een valse vloot” of omgekeerde nivellering. Niemand kan mij voorrekenen dat allerlei uitwassen aan valse vloten(schijncollectiviteiten) niet ten koste gaat van de premiehoogte voor de gewone, niet collectieve, verzekerde burger. Men zegt dat kruissubsidie verboden is, maar het moet toch ergens uit gefinancierd worden, deze omgekeerde nivellering. Het lijkt sterk op het kannibaliseren van premie-inkomsten van zorgverzekeraars. Het bedenken van bijzondere collectieve schijnconstructies moet aan banden worden gelegd!

 

Oplossingsrichting

Het grootste deel van artikel 10 Zorgverzekeringswet kan worden geschrapt. Collectiviteiten zijn voortaan alleen toegestaan in het kader van een werkgever/ werknemer verhouding en als de premie voor de werknemers en hun gezinsleden collectief door de werkgever wordt voldaan aan de zorgverzekeraar. Gepensioneerden komen voortaan niet meer in aanmerking voor een collectiviteit via de ex werkgever.

De verzekeraar bepaalt welke korting er wordt gegeven en kan afhankelijk worden gesteld van de hoeveelheid deelnemers aan de collectiviteit. De korting moet gebaseerd zijn op de door de zorgverzekeraar te realiseren kostenbesparing, zoals collectieve incasso via de werkgever en doeltreffende zorginkoop.

 

Waarom juist wel werkgevers?

Werkgevers zijn ook in financieel opzicht steeds meer verantwoordelijk voor zieke of arbeidsongeschikte werknemers. Voor werkgevers is het dus van groot belang om de werknemers van zo goed mogelijke zorg te voorzien, omdat werkgevers “Ketenintegratie” willen bewerkstelligen in de werknemersdomeinen, zoals daar zijn:

Zorg – Verzuim – Arbo wetgeving – Wet verbetering Poortwachter – Re-integratie en WIA (arbeidsongeschiktheid werknemers).

Verzuim veronderstelt te beginnen met een zorgvraag. De Zorgverzekeringswet geeft verzekeraars de mogelijkheid om Arbeidsrelevante Zorg aan te bieden aan werkgevers. Zo zouden werknemers bij ziekte de bedrijfsarts kunnen bezoeken in plaats van de huisarts. Of bij een arbeidsconflict kan de werknemer gebruik maken van de door de werkgever geregelde Arbeidsrelevante Zorg in de vorm van een psycholoog. Ook kunnen zorgverzekeraars afspraken maken met ziekenhuizen over eventuele snellere behandeling van collectief verzekerde werknemers via een werkgeverscollectiviteit. Voor grote concentraties van bedrijven zouden bedrijvenzorgcentra ingericht kunnen worden, waarin alle relevante zorgverleners gebundeld kunnen worden om Arbeidsrelevante Zorg te bieden. Kortom: werkgevers kunnen enorme kosten besparen in het verzuim en re-integratietraject!

 

Zorgverzekeraar leggen flink geld toe op de Basispolis. Hoe lang nog?

Als we de zorgverzekeraars moeten geloven dan spreken we over grote getallen met kleine verdiensten. Als we naar Menzis kijken met 2,3 miljoen verzekerden, dan leverden deze verzekerden een inkomstenstroom op van 5,57 miljard euro. En de winst: 4 miljoen euro, een marge van 0,07 procent. Anders gezegd, Menzis verdiende het hele jaar nog geen twee euro op iedere klant die daar een zorgpolis afsloot. De flinterdunne winstmarge van Menzis blijkt exemplarisch voor de sector. De vier grote zorgverzekeraars, die samen meer dan 90 procent van de markt in handen hebben, behaalden vorig jaar alle magere resultaten. Alleen VGZ, nummer twee met 4,2 miljoen verzekerden, hield zijn winst redelijk op peil. Bij Achmea zakte het resultaat met ruim eenderde; bij CZ en Menzis smolt de winst grotendeels weg.

 

Alle zorgverzekeraars claimen inmiddels dat zij verlies lijden op hun basispolissen. Alleen door meevallers in de beleggingen en door incidentele baten blijven de vier grootste verzekeraars uit de verliezen. Dat de onderliggende resultaten zo verslechteren is een direct gevolg van de keuze van verzekeraars om hun polissen, jawel, te “subsidiëren”: zij gebruiken potjes om de premies niet te veel te laten stijgen. Dat kan ook gemakkelijk omdat zij rijk zijn: de grote vier hebben allemaal veel meer vermogen dan de Nederlandsche Bank eist. Verzekeraars opereren in een glazen huis. Er bestaat maatschappelijke druk dat ze niet te veel winst maken of te rijk worden. De markt is redelijk transparant, want ieder jaar stapt ca. 7% van de verzekerden over; dat gaat dan al gauw om bijna 1,2 miljoen overstappers.

 

De zorguitgaven blijven de komende jaren harder groeien dan de economie, net als dat de afgelopen 15 jaar gebeurde. Een groeiend deel van de welvaart gaat naar de zorg. De taart die overblijft voor andere zaken slinkt. Bedroegen de uitgaven aan zorg in 2000 nog geen 8 procent van het nationaal inkomen, inmiddels ligt dat boven de 12 procent. Bij ongewijzigd beleid groeien de zorguitgaven in een volgend kabinet met 21%, zo voorspelt het CPB. Gecorrigeerd voor inflatie verwacht het CPB dat de zorguitgaven jaarlijks ongeveer met 3,4% stijgen, ofwel 14,3% in de periode 2018-2021.

 

Zorgverzekeraars gingen de afgelopen jaren door overheidsbeleid meer risico lopen en moesten daardoor hogere buffers aanhouden. Maar zij besloten hierop budgetten af te spreken met bijvoorbeeld ziekenhuizen. Die dragen daardoor meer de financiële risico’s dan de zorgverzekeraars. Dit lijkt op afwenteling van financieel risico naar andere spelers in de keten. Vandaar de fusies en nauwere samenwerkingsverbanden tussen verschillende ziekenhuizen, waardoor zij – net zoals de zorgverzekeraars – zich uit het stelsel fuseerden.

Het lijkt een kwestie van tijd voordat de premies flink omhoog gaan, tenzij de overheid in samenspraak met het zorgveld gaat ingrijpen, zoals al eerder aangegeven.

Van zorgverzekeraars, zorgaanbieders en overheid mag verwacht worden, vanuit hun maatschappelijke taak, dat zij veel meer in het werk moeten stellen om de premies voor iedereen betaalbaar te houden zoals is aangegeven in enkele oplossingsrichtingen.

 

Dit stuk beoogt een bijdrage te leveren aan de discussie om de zorg betaalbaar te houden voor alle Nederlanders die recht hebben op een Basisverzekering.

 

Kortom: ons Zorgstelsel is toe aan een zeer grondige renovatie!

 

Opgemaakt door Cock de Graaf d.d. 27-07-2016/25-01-2017

Copyright: 19 CaeSareo C.F. de Graaf46/ ISBN077093549

Bijlagen: Nominale premies Zorgstelsel

Bronvermelding:  Vektis, artikelen uit Volkskrant, Trouw, NRC, Zorgvisie, Care.; https://zoek.officielebekendmakingen;nl/blg-727405;  https://www.nza.nl/publicaties/1048188/Marktscan _Zorgverzekeringsmarkt_2016

 

 

Nominale premies Zorgstelsel en hoe deze worden vastgesteld en berekend:

 

Jaartal

 

Rekenpremie

 

Nominale opslagpremie

 

No-claim

 

Nominale premie

 

Stijging in euro's

Stijging in percentages

2006

715

60

255

1030

 

 

2007

796

52

255

1103

73

7,09%

2008

970

87

 

1057

-46

-4,17%

2009

947

116

 

1063

6

0,57%

2010

983

102

 

1085

22

2,07%

2011

1088

123

 

1211

126

11,61%

2012

1050

172

 

1222

11

0,91%

2013

1154

59

 

1213

-9

-0,74%

2014

1121

-20

 

1101

-112

-9,23%

2015

1196

15

 

1211

110

9,99%

2016

1288

-45

 

1243

84

6,94%

2017

1326

-85

 

1241

42

3,5%

 

 

De Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal Postbus 20018 2500 EA DEN HAAG Datum 18 november 2014 Betreft Totstandkoming rekenpremie Bezoekadres: Rijnstraat 50 2515 XP Den Haag www.rijksoverheid.nl Kenmerk 6390921-129595-MEVA Uw kenmerk 2014Z20435 Uw brief 12 november 2014 Correspondentie uitsluitend richten aan het retouradres met vermelding van de datum en het kenmerk van deze brief. Geachte voorzitter, In haar brief van 12 november heeft de vaste commissie voor Volksgezondheid, Welzijn en Sport mij verzocht uit te leggen hoe de rekenpremie tot stand komt. De nominale premie die verzekerden betalen voor hun zorgverzekering bestaat uit een rekenpremie vastgesteld door het ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport plus een opslag die door de verzekeraars wordt bepaald. De opslag is nodig om de beheerskosten van verzekeraars te kunnen dekken en te voldoen aan de wettelijke reserve vereisten. Met behulp van de rekenpremie wordt bepaald hoeveel geld een verzekeraar uit het Zorgverzekeringsfonds ontvangt. De rekenpremie wordt zodanig vastgesteld dat een verzekeraar uit de rekenpremie, het geraamde eigen risico en de bijdrage uit het zorgverzekeringsfonds exact de geraamde zorguitgaven kan dekken. Bij de vaststelling van de rekenpremie houdt VWS rekening met de wettelijke eisen ten aanzien van de 50/50 verdeling. Op grond van de zorgverzekeringswet dient de helft van het totale te financieren bedrag te worden opgebracht via de inkomensafhankelijke bijdrage (IAB). Daarnaast dient een afwijking van de 50/50- verdeling in het verleden te worden rechtgetrokken. Dat betekent dat VWS de rekenpremie zodanig vaststelt dat er naar verwachting een nominale premie resulteert die voldoet aan deze 50/50 eis. Daarnaast houdt VWS rekening met de eis van lastendekkendheid van het zorgverzekeringsfonds. Om het bovenstaande te bereiken maakt VWS jaarlijks een raming van het totale via premies, eigen risico en rijksbijdrage voor kinderen te dekken bedrag. In tabel 1 wordt voor 2015 weergegeven om welke posten dit gaat. 2 Kenmerk 2014Z20435 Tabel 1: Uitgaven ten laste van de macropremielast in 2015 (in miljarden euro’s) Zorguitgaven zorgverzekeraars 42,1 Rechtstreekse uitgaven Zorgverzekeringsfonds # 2,9 Budgettair Kader Zorg-relevante uitgaven 45,0 Beheerskosten zorgverzekeraars 1,2 Reserveopbouw verzekeraars -0,8 Overige baten Zorgverzekeringsfonds 0,0 Saldo zorgverzekeringsfonds -0,5 Totaal te financieren 44,9 Rijksbijdrage Hervorming Langdurige Zorg 1,8 Te financieren uit premies cs 43,1 Financiering Inkomensafhankelijke bijdrage 21,2 Nominale premie 16,3 Rijksbijdrage kinderen 2,5 Eigen betalingen 3,2 Totaal 43,1 # Dit zijn beschikbaarheidsbijdragen en uitgaven buitenland De bijdrage die zorgverzekeraars uit het zorgverzekeringsfonds ontvangen wordt precies zo bepaald dat het beoogde saldo in het Zorgverzekeringsfonds resulteert. De opbouw van die bijdrage staat in tabel 2. Tabel 2: Opbouw bijdrage aan verzekeraars ter gedeeltelijke dekking zorguitgaven# in 2015 (in miljarden euro’s) Inkomensafhankelijke bijdrage1 21,2 Rijksbijdrage kinderen 2,5 Overige baten Zorgverzekeringsfonds 0,0 Rijksbijdrage HLZ 1,8 Inkomsten Zorgverzekeringsfonds 25,4 Af: Rechtstreekse uitgaven Zorgverzekeringsfonds -2,9 Af: Bijdrage aan verzekeraars voor beheerskosten kinderen -0,2 Bij: Wegwerken overschot Zorgverzekeringsfonds 0,5 Bijdrage ter gedeeltelijke dekking zorguitgaven 22,8 # De resterende dekking komt uit eigen betalingen en nominale premies Het via de rekenpremie te innen bedrag wordt hierna bepaald door van de totale geraamde zorguitgaven van verzekeraars de hiervoor bepaalde bijdrage en de eigen betalingen af te trekken. De rekenpremie resulteert door het te innen bedrag te delen door het aantal volwassen verzekerden. De rekenpremie is daarmee precies zodanig vastgesteld dat verzekeraars er hun zorguitgaven uit kunnen dekken, als zij de hoogte van die zorguitgaven even hoog inschatten als VWS. Zie hiervoor tabel 3. 1 De inkomensafhankelijke bijdrage 2015 is niet precies 50% vanwege de afrekening van oude jaren. 3 Kenmerk 2014Z20435 Tabel 3: Bepaling rekenpremie in 2015 (in miljarden euro’s tenzij anders vermeld) Zorguitgaven verzekeraars 42,1 Af: Bijdrage ter gedeeltelijke dekking zorguitgaven -22,8 Af: Eigen betalingen -3,2 Te innen via rekenpremie 16,1 Volwassen verzekerden (in miljoenen) 13,4 Rekenpremie (in euro’s per jaar; 16,1 / 13,4 x 1000) 1196 De rekenpremie volgt zoals uit het bovenstaande blijkt vrij rekenkundig uit de ramingen van de te financieren onderdelen. De enige beleidsmatige keuze die van invloed is op de rekenpremie (afgezien van de maatregelen gericht op het beheersen van de uitgaven) is het besluit ter introductie van een rijksbijdrage Hervorming Langdurige Zorg (HLZ). Zonder die rijksbijdrage zou de rekenpremie hoger zijn uitgekomen. Omdat de nominale premie de optelling vormt van de rekenpremie en de opslagpremie, wordt via de rijksbijdrage ook de nominale premie gedrukt. Voor een nadere toelichting op zowel de raming van de diverse posten als op de ontwikkeling van de rekenpremie tussen 2014 en 2015 verwijs ik naar de paragraaf “financiering van de zorguitgaven” in de VWS begroting Hoogachtend, de minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, mw. drs. E.I. Schippers

 

Nominale premie 2017 DSW, Chris Oomen (vaak de luis in de pels van Zorgverzekeraars)

Uitgebreide berekening premie DSW 2017 Bedrag 2017

1 Rekenpremie (overheid) € 1.326

2 3 4 5 Risicovereveningsmodel • modelresultaat DSW op ‘Variabele zorgkosten’ • modelresultaat DSW op GGZ • modelresultaat DSW op Intramurale langdurige GGZ - € 13 € 6 - € 5 6 7 8 9 Kostenramingen VWS (landelijk) • landelijk overschot op ‘Variabele zorgkosten’ • landelijk overschot op GGZ • landelijk resultaat op Intramurale langdurige GGZ - € 4 - € 22 € 0

10 Bedrijfskosten DSW € 74

11 Overige opslag € 28

12 Opslag voor collectiviteitskortingen € 0

13 Winstopslag € 0

14 Solvabiliteit / Reserve € 0

15 Afbouw reserve - € 94

PREMIE € 1.296 Zie de volgende pagina’s voor de toelichting Toelichting ‘Uitgebreide berekening premie DSW 2017’

  1. Rekenpremie De nominale premie bestaat uit twee delen. Het eerste deel is de door de minister van VWS vastgestelde rekenpremie die voor alle verzekeraars hetzelfde is. Daarnaast bevat de nominale premie een opslagpremie, die verzekeraars zelf vaststellen en dus per verzekeraar verschilt. De door de overheid vastgestelde rekenpremie stijgt in 2017 met € 38 naar € 1.326 (2016: € 1.288). In deze toelichting wordt uitgebreid ingegaan op alle aspecten van de opslagpremie.
  2. Risicovereveningsmodel Vooraf (ex-ante) stelt de overheid voor iedere zorgverzekeraar een budget vast dat overeenkomt met de vooraf verwachte zorgkosten van zijn verzekerdenpopulatie. De overheid gaat er van uit dat het budget voor alle zorgverzekeraars gezamenlijk toereikend is (landelijk budget = landelijke kosten), zie voor verdere toelichting onder punt 6. Op basis van de resultaten uit het verleden blijkt dat de werking van het risicovereveningsmodel voor individuele zorgverzekeraars, in tegenstelling tot de bedoeling, nog grote onverklaarbare verschillen tussen verzekeraars vertoont. Om deze onverklaarbare verschillen te mitigeren zijn bij de invoering van het risicovereveningsmodel de zogenoemde ex-post correcties ingevoerd. Ondanks de nog steeds onvoldoende werking van het model heeft de politiek inmiddels ook de laatste de ex-post correcties afgeschaft. Weliswaar is, uitgaande van landelijk budget = landelijke kosten, het gezamenlijke resultaat van de zorgverzekeraars op het risicovereveningsmodel € 0, maar desondanks houden sommige verzekeraars over aan dit model, terwijl andere verzekeraars op dit model door de onjuiste werking tekortkomen. Dit kan leiden tot respectievelijk een afslag of een opslag op de rekenpremie.
  3. Modelresultaat DSW op ‘Variabele zorgkosten’ Variabele zorgkosten betreffen ziekenhuiszorg, Verpleging & Verzorging en de zogenoemde overige prestaties, dit zijn onder andere geneesmiddelen, huisartsenzorg, hulpmiddelen en fysiotherapie. Vanwege het afschaffen van de achteraf (ex-post) correcties zijn de zorgverzekeraars vanaf 2017 volledig risicodragend voor alle variabele zorgkosten (2016: uitsluitend op Verpleging & Verzorging een bandbreedteregeling met volledig risico tot € 15 en 25% daarboven). DSW verwacht voor 2017 een beperkt overschot op het risicovereveningsmodel voor variabele zorgkosten en neemt daarom een afslag op van € 13.
  4. Modelresultaat DSW op geneeskundige geestelijke gezondheidszorg (GGZ) Ondanks de nog onverklaarbare verschillen in het risicovereveningsmodel zijn de zorgverzekeraars ook hier vanaf 2017 volledig risicodragend (2016: een bandbreedteregeling met volledig risico tot € 17,50 per premiebetaler en 25% boven dat bedrag). DSW verwacht voor 2017 een beperkt tekort op het risicovereveningsmodel voor GGZ en neemt daarom een opslag op van € 6.
  5. Modelresultaat DSW op Intramurale langdurige GGZ De zogenoemde Intramurale langdurige GGZ is in 2016 vanuit de AWBZ overgeheveld naar de Zorgverzekeringswet. Ook hier zijn de zorgverzekeraars vanaf 2017 volledig risicodragend (2016: bandbreedteregeling maximaal € 5 per premiebetaler). DSW verwacht voor 2017 een beperkt overschot op het risicovereveningsmodel voor Intramurale langdurige GGZ en neemt daarom een afslag op van € 5.
  6. Kostenramingen VWS De zorgverzekeraars lopen het volledige risico over te lage en te hoge ramingen van de landelijke zorgkosten door VWS. Als landelijk de werkelijke zorgkosten afwijken van de ramingen van VWS treft dit, door zogenoemd flankerend beleid van de overheid, iedere verzekeraar voor zijn populatie in dezelfde mate zowel negatief als positief.
  7. Landelijk overschot op ‘Variabele zorgkosten’ Variabele zorgkosten betreffen ziekenhuiszorg, Verpleging & Verzorging en de zogenoemde overige prestaties, dit zijn onder andere geneesmiddelen, huisartsenzorg, hulpmiddelen en fysiotherapie. In tegenstelling tot eerdere jaren houdt VWS voldoende rekening met de recente kostenontwikkelingen die voor alle verzekeraars gelden. Op basis van een eerste indicatie verwacht DSW dat de landelijke kosten in 2017 circa € 60 miljoen lager zullen zijn dan de raming van VWS (2016: € 690 miljoen lager; 2015: 670 miljoen lager). Om deze reden neemt DSW een afslag in de premie op van € 4 (2016: € 51).
  8. Landelijk overschot op GGZ Op basis van het verleden en een eerste indicatie van 2016 verwacht DSW voor 2017 dat de landelijke kosten circa € 300 miljoen lager uitvallen dan de raming van VWS (2016: € 210 miljoen lager). Om deze reden neemt DSW een afslag in de premie op van € 22 (2016: € 16).
  9. Landelijk resultaat op Intramurale langdurige GGZ In 2016 is de zogenoemde Intramurale langdurige GGZ vanuit de AWBZ naar de Zorgverzekeringswet overgeheveld. DSW volgt de landelijke raming van VWS.
  10. Bedrijfskosten Dit zijn de kosten die DSW maakt om de Zorgverzekeringswet uit te voeren. Het betreft onder andere personeels-, huisvestings- en automatiseringskosten.
  11. Overige opslag Deze opslag betreft verschillende posten, zoals het feit dat VWS de opbrengst voor het verplichte eigen risico hoger raamt dan de werkelijke opbrengst en omdat niet alle verzekerden hun premie en/of eigen risico betalen.
  12. Opslag voor collectiviteitskorting DSW geeft geen collectiviteitskorting op de basisverzekering. Individueel en collectief verzekerden betalen bij DSW dezelfde premie. De opslag bedraagt daarom € 0.
  13. Winstopslag Als Onderlinge Waarborgmaatschappij heeft DSW geen winstoogmerk. De opslag bedraagt daarom € 0. Indien achteraf blijkt dat DSW de premie te hoog heeft vastgesteld, zal dit in de komende jaren op de premie in mindering worden gebracht.
  14. Solvabiliteit Iedere verzekeraar is wettelijk verplicht een minimum bedrag aan eigen vermogen (solvabiliteit) aan te houden. Vanaf 2016 worden in het kader van Solvency II hogere eisen gesteld. Gelet op de huidige solvabiliteit heeft DSW in 2017 geen opslag in de premie opgenomen.
  15. Afbouw van reserve VWS heeft in de Miljoenennota voorspeld dat de zorgverzekeraars hun reserves in 2017 met € 2.000 miljoen zouden kunnen verlagen. Dit komt voor alle zorgverzekeraars overeen met € 147 per premiebetaler (VWS raming 2016: € 110). Vorig jaar heeft DSW € 145 op jaarbasis per premiebetaler aan de reserves onttrokken om de premiestijging te beperken. Om de reserves op een verantwoord niveau te houden ziet DSW geen ruimte de reserves dit jaar nogmaals met hetzelfde bedrag af te bouwen. DSW bouwt in 2017 de reserves af met een bedrag van € 94 per premiebetaler.

 

‘Zorg groeit harder dan economie in 2017’

De gezondheidszorg groeit volgend jaar naar verwachting harder dan de economie. Dat blijkt uit berekeningen van het Economisch Bureau van de ING. Dat vraagt volgens econoom Edse Dantuma om aanpassingen bij de overheid en bij zorgaanbieders.

De gezondheidszorg groeit volgens de berekeningen van de ING volgend jaar met 2,5 procent, terwijl de economie 1,6 procent groeit. ‘Voor de gezondheidszorg is dit de groei die we voor de crisis ook zagen, 2011 was het laatste echte groeijaar’, zegt Dantuma, senior econoom bij de ING.

Redenen voor groei zorg 
De redenen voor de sterke groei zijn divers, blijkt uit het rapport van de ING. ‘Een klein deel wordt veroorzaakt doordat de economie ook groeit. Daardoor zijn er ruimere budgetten; mensen hebben meer geld om uit te geven aan de zorg’, legt Dantuma uit. ‘Daarnaast heeft staatssecretaris Van Rijn aangekondigd dat in de langdurige zorg extra groeiruimte is gecreëerd van 386 miljoen euro. In deze sector speelt de vergrijzing bovendien ook een enorme rol. We zien in dehuisartsenzorg dat de substitutie naar de eerste lijn op gang komt. Daardoor neemt deze sector ook echt een vlucht. De hoofdlijnakkoorden werken hier bovendien ook in door.’ In de ziekenhuiszorg verwacht de ING groei door de toename van het gebruik van dure geneesmiddelen en de inzet van technologische innovaties. De geestelijke gezondheidszorg blijft in de berekeningen van het Economisch Bureau nog wat achter, al wordt ook hier een groei verwacht.

Groei in de zorg afremmen 
Dantuma verwacht dat de economie de groei in de zorg niet bij kan benen. In de zorg zorgt de vergrijzing voor enorme groei, terwijl die op de economie als geheel juist een remmend effect heeft. De ING verwacht dat de druk van de zorgkosten op de overheidsbegroting door de stijging steeds groter zal worden. ‘Er komt dan vanzelf weer een roep om uitgavenbeheersing, de groei zal moeten worden afgeremd. Maar de vraag is wat een nieuw kabinet er na de verkiezingen van maart mee gaat doen. Bovendien is het nog onduidelijk wat er gebeurt als de hoofdlijnenakkoorden in 2017 aflopen.’

Uitdaging voor zorgaanbieders in 2017 
Er ligt volgens Dantuma niet alleen een taak voor de overheid om de groei te beperken, maar ook voor zorgaanbieders. ‘Aanbieders moeten rekening houden met de stijgende lijn en na gaan denken over hoe ze zich positioneren. Er zijn grotere samenwerkingsverbanden nodig, ze moeten het niet alleen doen. We zien dat het overgrote deel van de zorgaanbieders nog niet in samenwerkingsverbanden werkt’, zegt de econoom. Hij benadrukt het belang van een duidelijke positie in de regio en van meerjarencontracten met verzekeraars. ‘Zorgaanbieders moeten vooruitkijken. Het gaat niet alleen om wat ze volgend jaar doen, maar ook op de lange termijn.’

Puck van Beurden

 

Redacteur CareVerzekeraars verliezen hun financiële bewegingsvrijheid

Financiële grenzen

Zorgverzekeraars lopen tegen hun financiële grenzen aan. En dat is slecht nieuws voor de verzekerden.

 

  • Jeroen Wester

 25 april 2017

Foto ANP 

Wim van der Meeren kan met voldoening op de prestaties van zijn zorgverzekeringsconcern terugkijken. Voor de bestuursvoorzitter van CZ (3,5 mln verzekerden, bijna 9 miljard omzet) is 2016 het jaar van de waterscheiding. Gaven de grootste zorgverzekeraars jarenlang een gemengd beeld als het om hun financiën ging, die periode lijkt definitief voorbij.

De vier grootste zorgverzekeraars Achmea, VGZ, CZ en Menzis hebben gezamenlijk een marktaandeel van bijna 90 procent. CZ, met het hoofdkantoor in Tilburg, steekt qua financiële gezondheid met kop en schouders boven de andere uit. CZ was vorig jaar de enige van de grote vier die het aantal polishouders duidelijk zag groeien (en marktaandeel won), de enige die zijn solvabiliteit verbeterde, die sowieso qua vermogenspositie het sterkste is, die het minst van alle verlies leed en die het meeste uit zijn reserves aan zijn polishouders teruggaf.

Financiële gezondheid

Alle zorgverzekeraars leden vorig verlies en de meeste teerden in op hun reserves. Zij subsidieerden de laatste twee jaar hun polissen met 3 miljard euro om de premies niet te snel te laten stijgen. Maar het eind van die aanpak is in zicht.

Dat zie je met name aan de financiële gezondheid van de verzekeraars. De drie naaste concurrenten van CZ zijn met hun solvabiliteit onder de 150 procent gedoken, CZ heeft nog een ratio van 173 procent.

Dat geeft CZ meer bewegingsvrijheid. Dat was afgelopen jaar ook al te zien. De verzekeraar gaf ruim 10 euro per maand uit zijn reserves ‘terug’ aan zijn polishouders, terwijl de naaste concurrenten allemaal hun polissen maandelijks met tussen de 6 en 7 euro per verzekerde subsidieerden.

Qua verliezen blijft CZ het dichtst bij de nul. Marktleider Achmea (Zilveren Kruis, FBTO, De Friesland) voerde het klassement van verliezers aan. Het concern leed een operationeel verlies van 196 miljoen euro (nettocijfers maakt Achmea niet bekend) tegen 76 miljoen nettoverlies door nummer twee VGZ. Menzis meldde dinsdagochtend een verlies van 47 miljoen euro, terwijl CZ de schade beperkt hield tot 15 miljoen euro negatief.

Bij buffers in de buurt

Het betekent dat de hele sector tegen zijn grenzen aanloopt en dat is slecht nieuws voor verzekerden. Zorgverzekeraars draaien volledig op premiegeld (ruim 40 miljard euro per jaar). Ruwweg de helft van hun inkomsten krijgen zij via het zogeheten Zorgverzekeringsfonds van het Rijk. Daarin komen de zorgpremies terecht die werknemers via hun werkgevers afdragen. De andere helft van hun inkomsten krijgen verzekeraars via de verplicht af te sluiten ziektekostenverzekeringen die alle inwoners van Nederland jaarlijks moeten afsluiten.

Doordat de meeste zorgverzekeraars nu met hun buffers in de buurt komen van de wettelijk gestelde eisen, vertalen tegenvallers zich direct in hogere premies bij de basispolis. Niet voor niets waarschuwden diverse bestuurders van zorgverzekeraars voor hogere premies. En die stegen de laatste tijd al fors. 2014 was nog een fijn jaar voor verzekerden die hun maandpremie gemiddeld met 9,5 procent zagen dalen. Maar in 2015 (5,5 procent stijging) en 2016 (3,5 procent stijging) groeide het tarief sneller dan de inflatie, zo blijkt uit cijfers van de Nederlandse Zorgautoriteit. En dit jaar kwamen de premies gemiddeld 8 procent hoger uit.

De vraag is natuurlijk of verzekeraars de kosten niet wat meer kunnen drukken door efficiënter te werken. Maar de meeste zijn daar al druk mee bezig. Achmea saneert reeds jarenlang. De overstap van een op papierstroom geënte organisatie naar een die gericht is op contact via internet en apps kost duizenden banen. Ook VGZ zag het aantal medewerkers de afgelopen jaren met ruwweg een kwart dalen.

Er is nog een trend in de sector: de grote vier verliezen opnieuw terrein aan de kleinere spelers. DSW is de grootste van de kleintjes met een marktaandeel van 3,5 procent. De verzekeraar uit Schiedam moet zijn jaarresultaten nog bekend maken. Vorige jaren behoorde DSW tot de best gekapitaliseerde zorgverzekeraars. Over 2015 maakte DSW zelfs meer winst dan CZ en Menzis bij elkaar.

Menzis zag vorig jaar zijn omzet overigens het sterkst stijgen. Terwijl de omzetten van Achmea’s zorgdivisie, VGZ en CZ tussen de 0 en 3 procent daalden, steeg die van Menzis met ruim 8 procent. Dat komt niet omdat er zoveel nieuwe klanten bijkwamen. Het is meer een gevolg van de keuze om niet te scherp op prijs te concurreren.

Eind vorig jaar bleek Menzis gemiddeld de hoogste premies te vragen voor zijn ziektekostenverzekering. De vraag is hoe vrijwillig die keuze was: Menzis is net als het jaar ervoor de verzekeraar met de laagste solvabiliteit en dus met het laagste financiële incasseringsvermogen. De verzekeraar sprak ook minder gretig zijn reserves aan dan zijn concurrenten om de premie laag te houden.

Lees ook: Verlies voor zorgverzekeraars

Cock de Graaf.

 

De analyse van Cock de Graaf  lijkt  in de lijn van onze beweging te liggen en zal  in de discussie worden meegenomen. Wat ontbreekt is de macht van de farmaceutische industrie. Met onze ontwikkelde plannen kunnen de zorgkosten  ca 30 miljard euro omlaag met andere keuzes. Daarbij richten wij ons op de denkbeelden betreffende het manifest van de Algemene Vereniging Medisch Verzekerden:

http://avmv.nl/pdf/deltaplan-voor-de-gezondheidszorg-2009.pdf

Dit wordt onderbouwd met de ontwikkeling van de voedingssupplementen door Professor en Micro Bioloog Dirk van den Berghe: https://gen5.eu/health/